28-09-06

- Anders -

Een samenraapsel, een pot-pourri

(…)

Vanavond mocht het eens wat anders zijn. We reden, vluchtten, raasden over verre, vreemde wegen die ons, zoals onze levens, nergens naartoe leidden. Kaarten waren onleesbaar, rusteloosheid een dolgedraaid kompas, naïeve idealen onze benzine. De wegmarkeringen lichtten op door onze koplampen en waren zo ijdel te denken dat ze onze zwerftocht richting gaven. Onze frustraties zaaiden we uit als broodkruimels die ons terug zouden leiden naar huis, naar onze gemiste kansen – de ene heeft er al meer dan de andere.

Vanavond mocht het eens wat anders zijn. Oppervlakkigheid werd een verstikkende jas die we knalhard het autoraam uit keilden. We speelden muziek die speciaal voor deze avond en nacht gecomponeerd leek, we brulden de teksten mee alsof we ze zelf geschreven hadden – alsof… een woord dat ik elke dag veel te veel moet gebruiken, een verrijkend woord dat mijn dagelijkse armoe verraadt. Schapenwolkjes nevel waren poorten die zich openden en sloten voor ons, leken de weg opgeslorpt te hebben en ons te laten zweven. We ontwaarden gras, in de nabije verte glinsterend water, oplichtend door de maan die weer even zon mocht spelen voor zij die s’ nachts leven en beleven en de dag ondergaan.

En we lachten, en we praatten over de onzin van onze dagen – over de zin was ik alvast veel vlugger uitgepraat geweest - en we bulderden, en we zwegen.

“Wie kan me nu eindelijk eens zeggen wat geluk is?”, vroeg mijn pornoverslaafde vriend Bert nadat hij het refrein van “The Weeping Song” van Nick Cave had meegefloten. We zwegen en keken elkaar via de autospiegels aan. Zijn we niet te jong, onbezonnen en zijn onze levens niet te onontgonnen om daar al een antwoord op te kennen? Despijts de avond had ik geen zin in zulke pseudo-filosofische gesprekken. En zeker niet met hem. Tuurlijk is hij een vriend, maar is dat al bij al geen relatief begrip? Elke vriend die je hebt, lijkt wel een stukje van het leven dat je zélf wilt lijden, te leven. Elke vriendschap pleegt vroeg of laat overspel met jaloezie, en de vraag is steeds hoe onbehouwen ze eruit komt. Met Bert is dat niet anders. Ach, ik kom er later wel op terug. Niet vanavond. Vanavond mocht het eens wat anders zijn.

“Geluk is een onoplettendheid van het leven”, zei ik op een toon die komaf wou maken met zijn vraag. Mijn ambitieloze vriend Wolf knikte en lachte instemmend terwijl hij ons verder het grote niets in dreef.

“Ik dacht aanvankelijk dat dat liefde was,” zei hij.

Ik dacht na. “Dat is het leven in een dronken bui.”

Bert knikte en lachte instemmend. “En eenzaamheid is de kater achteraf”, voegde hij daaraan toe. Ik keek opzij. “Hoe kan jij dat weten,”  beet ik hem toe, “jij hebt iemand die thuis op je zit te wachten. Je had er godverdomme bij moeten zitten in plaats van hier de pathetische nitwit uit te hangen. Laat dat maar aan ons over.”  De woorden schoven echter uit in mijn hoofd zodat niemand ze kon horen.

“Da’s een goeie”, zei ik. Hebben alle vrienden vroeg of laat zo geen gedachten over elkaar? Ik meen van wel. Ik hoop van niet, en tegelijkertijd van wel, al was het maar om mijn geweten te sussen. Zodat avonden als deze een stevige houvast kunnen blijven, wars van hypocrisie en meelijwekkend bejag. Op avonden als deze wil ik niet zoals elke mens als een dartsbord rondlopen waar anderen naar hartelust op mikken, om ter meeste punten. En míjn pijltjes zijn godverdomme veel te bot. Maar ach, laat het vanavond nu eens wat anders zijn.

“Waar zouden ze we ongeveer zitten nu,” vroeg mijn doelloze vriend Deodaat zich af. “We zijn toch al een uurtje onderweg.”

“Dat zijn we al 25 jaar,” pikte Wolf in, “maar hier en nu kunnen we tenminste uitstappen wanneer we willen.”

“Waarom ook niet”, zei ik, waarop Wolf het eerstvolgende weggetje in reed dat ons naar het met de maan flirtende water leidde. Na een paar minuten intensief schudden en ratelen op een met stenen bezaaid zandweggetje, vond Wolf het welletjes en hield hij halt. De koplampen liet hij branden, zodat enkele eeuwig verdwaalde motten zich aan het licht konden laven. Niemand had het flauwste benul waar hij was. We konden geen aanknooppunten ontwaren, zagen weliswaar het grote meer dat ons had gelokt maar voor de rest sprak de stilte boekdelen. Daar stonden we dan met zijn vieren, wat onwennig rond de wagen te draaien. Het was inderdaad eens wat anders, een andere leegte. Een waarin we ons onwennig thuis konden voelen. Ik hoorde Wolf en Bert hun deur dichtslaan en zag hen daarop naar een sigaar grijpen. Ik volgde. We dronken nu eens geen Kasteelbier, porto of whisky, zagen nu eens geen verschillende vrouwen de onbereikbaarheid tastbaar maken en probeerden nu eens niet om ter meeste idioten te ontwaren om daarna onze hoofden te schudden dat er écht wel veel rondlopen.

Ondertussen werd het er niet minder donker op.

“Hoe laat is het”, vroeg ik.

“Altijd té laat”, zei Bert.

Ik zuchtte. Zijn cynisme is je reinste verwaandheid. Ik wou dat ik mijn leven leidde zoals hij dat in mijn plaats deed. Waar, en met wie, en hoe, en vooral hoe niet. Maar waarom. Iets waar ik zelfs op avonden als deze niet aan kan ontsnappen. De enige momenten waarop mijn stalen kot een gouden kooi wordt. En zelfs dan nog zeul ik het slot in de gedaante van Bert altijd met me mee, terwijl Zij op dit moment thuis met de sleutel aan het spelen is. Ik moet mezelf echter niets wijs maken – zelfs vanavond niet – en de sleutel in één iemands tere handen leggen. Was het maar zo simpel. Iemand anders mijn eigen lafheid verwijten, is een vicieuze laffe cirkel. Het is louter en alleen mijn schuld dat ik van mezelf vervreemd ben door keuzes die ik niet gemaakt heb omdat ik ze te laat zag. Wat is het ergste: je weg niet vinden of er steeds verder van afwijken?

Ik keek omhoog en snoof de geur van een opgebrande toekomst op uit de lucht.

Ondertussen wist ik nog steeds niet hoe laat het nu was. “Bijna middernacht,” antwoordde Deodaat alsnog op mijn vraag.

Ik blies, zoals steeds, met tegenzin de rook van mijn sigaar uit en hoorde in de verte inderdaad kerkklokken weer een blad van de kalender rukken. Ik stapte naar het meer en hoopte het op een of andere manier te kunnen aanraken, maar de oever was te steil en bedekt met struiken en onkruid die van een afdaling een te hachelijke onderneming zouden maken. Ondertussen leverde de stilte de boeiendste gesprekken op, die we overdag helaas nooit kunnen voeren.

Waar gingen we met deze avond eigenlijk naartoe? Niemand die het wist, of misschien zelfs niet wou weten. Een geruststellende gedachte, voor een keer. Alleen daarom al mocht hij onbevattelijk lang blijven duren. Helaas zal de tijd, spookrijdend op onze levensweg, zulke wensen eens te meer de gracht in vlammen. Altijd. Het is al tijd wat de klok slaat.

(…)

 

21:50 Gepost door llorando of isaiah | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

Commentaren

Vrienden... ... komen en gaan,
wandelen samen een stuk van je levenspad,
leven hun leven,
maken mijn leven rijker...

Ga je eigen pad,
wijk van je eigen pad af,
kronkel en zoek,
samen en alleen...

Je hebt tijd...

Gepost door: Kaajee | 29-09-06

een ontroerend verhaal
om bij stil te staan

groetjes
vhike

Gepost door: vhike | 30-09-06

De commentaren zijn gesloten.